Deze maand

De Auto & Architectuur #8

De auto en architectuur #8

Ongemakkelijke liefde door Gert Kwekkeboom

 
Ontwerpers moeten al leven met het ongemakkelijke huwelijk tussen de stad en de auto sinds de uitvinding van het voertuig. Het lijkt een haat-liefde-verhouding: tijdens sommige periodes was de auto een feestelijke en optimistische inspiratie voor de stedenbouw en de architectuur, en in andere periodes werd het vooral gezien als een onding. De geschiedenis van tuinsteden zoals Amsterdam Nieuw-West illustreren dat goed: de uitbreidingswijken werden bedacht als idyllische groene plek waar je eigenlijk nooit weg hoefde, omdat ze op zichzelf het leven al voldoening zouden
geven.

Voor wie zo nu en dan toch ergens anders moest zijn waren er verhoogde centrale autoboulevards en hoogwaardig openbaar vervoer. De onvermoede emanciperende kracht van de auto gooide echter roet in het eten voor dit paradijs; de groene parkachtige inrichting werd steeds grijzer om ruimte te maken voor parkeren, en het sociale leven concentreerde zich niet meer alleen daar, omdat het door de auto ineens overal kon zijn. De auto moest vanaf de jaren ’70 door ontwerpers juist vooral in bedwang gehouden worden.


In de jaren ’90 en ’00 bloeide echter een hernieuwd enthousiasme op over auto’s en het thema mobiliteit. Globalisering was een feest en de planeet werd voor iedereen toegankelijk. Dat moest gevierd worden, ook door Nederlandse ontwerpers. OMA kwam met het ontwerp voor de megalomane TGV-knoop Euralille, nieuwe bureaus als NL Architects en Next Architects startten hun carrières met projecten over bereikbaarheid, mobiliteit en snelwegen, en Francine Houben cureerde een Rotterdamse Architectuur Biennale over de auto, genaamd ‘room with a view’. Toen ik in 2002 mijn architectuuropleiding startte, midden in deze nieuwe tijd van autoverliefdheid, leerde ik dan ook dat het cool was om villa’s te ontwerpen met een mooie wagen pronkend in de woonkamer.


Maar anno 2026 is het imago van de auto in ogen van de ontwerper in steden weer minder positief. Auto’s blijken namelijk nog steeds vies, medeschuldig aan klimaatproblemen, ruimteslurpend, lawaaiig en ze zijn veroorzakers van ongelukken. Beleidsmakers en stedenbouwkundigen proberen de ruimtelijke dominantie van auto’s in steden opnieuw te verkleinen, want de relatie is weer terecht gekomen in een fase van bittere ernst: het liefst willen we als ontwerpers van de bolides af en ontwerpenthousiasme over de auto is toch weer een beetje verdacht. Maar kan de rol van auto in ontwerpersland alleen maar zo zwart-wit zijn?
 
En toen werd de stad Arnhem vorig jaar een rijksmonument rijker. Een monument dat ons eraan herinnert dat probleem en plezier ook samen kunnen gaan als het om ontwerpen voor de auto gaat. Peter Struyken realiseerde daar in 1977 ‘blauwe golven’, een prettig ontregelende parkeerplek die de openbare ruimte van de stad verrijkt, en tegelijkertijd ruimte laat voor de alledaagse noodzaak van het autoparkeren. Het heeft de vorm van een golvend teletubbielandschap, geheel bestraat met klinkers in witte en blauwe gestreepte vlakken die toevallig dezelfde breedte hebben als een regulier parkeervak. Een plek zoeken terwijl je over de heuveltjes hobbelt maakt van parkeren een licht komische en plezierige fysieke ervaring.

Toegegeven, zo’n uitgestrekte onbebouwde ruimte in de binnenstad past niet meer helemaal bij deze tijd en ik betwijfel of zelfrijdende auto’s er veilig kunnen parkeren, maar de boodschap die Struyken aan ontwerpers meegeeft is tijdloos: behandel de auto niet enkel als een weg te stoppen probleem, maar gun jezelf de ruimte om ook wat verbeelding, meerduidigheid en plezier mee te nemen bij het ontwerpen van plekken voor dat vervoermiddel waar we al zo lang een ongemakkelijke haat- liefdeverhouding hebben.

___

Gert Kwekkeboom eis een van de vier partners van Civic Architects uit Amsterdam. Een bureau dat werkt aan publieke gebouwen en gebouwen met een publiek gevolg, waaronder bibliotheken, cultuurcentra, onderwijsgebouwen, woongebouwen en musea. Daarnaast is Kwekkeboom sinds 2022 werkzaam als supervisor van de gebiedsontwikkelingen Buiksloterham en NDSM-werf voor de Gemeente Amsterdam, waar hij de ruimtelijke en architectonische kwaliteit bewaakt. Ook is hij  gastdocent op de Rotterdamse Academie van Bouwkunst. Hij studeerde in 2009 cum laude af aan de Technische Universiteit Eindhoven, met een aanvullend vakkenpakket in filosofie aan de Universiteit van Tilburg.