This month

De Auto & Architectuur #10

Ode aan de Utrechtsebaan door Alexander Pols

‍

Met de auto aankomen in de stad waar je woont, kan een heerlijk gevoel van thuiskomen geven. Ik heb in verschillende steden gewoond en iedere stad heeft zo zijn eigen entree. In Rotterdam was dat voor mij de Van Brienenoordbrug. En natuurlijk het Kleinpolderplein: daar rijd je een stuk omhoog, langs de flat met de reclame ‘Van Leeuwen Buizen’ op het dak, dan ligt even de hele skyline aan je voeten voordat je de stad induikt. In Amsterdam was het het wilde kantorenspektakel van de Zuidas.

‍

Inmiddels woon ik alweer jaren in Den Haag. Als je de stad nadert, doemt een respectabele skyline op, met de hoogste torens rond Centraal Station. Eerst afremmen: trajectcontrole, 80 kilometer per uur. Maar die eindigt waar de Utrechtsebaan begint. Ik doe alvast mijn schuifdak open.

‍

‍

De snelweg duikt naar beneden en de stad komt omhoog. Eerst rijd je onder de enorme boog van de Haagse Poort door, ontworpen door Kraaijvanger. Als je omhoog kijkt, zie je door de glazen onderzijde de vergaderruimtes. Het geluid van de auto's verandert onder de gebouwen. Ik betrap mezelf er telkens weer op dat ik wat sneller ga rijden. Vervolgens schiet je onder de Haagsche Zwaan van ZZDP Architecten en de Malietoren van Benthem Crouwel door. De betonnen wanden, viaducten en kantoorgebouwen volgen elkaar in hoog tempo op. Even rijd je niet langs de architectuur, maar er dwars doorheen.

‍

 

Een heerlijk grootstedelijk spektakel. Ik woon gelukkig nog in een echte stad, denk ik dan als Rotterdammer. Bij de stoplichten aan het Malieveld sla ik linksaf naar het centrum, waar mijn kantoor zit, of rechtsaf richting Scheveningen. Nog drie stoplichten en ik ben thuis.

‍

‍

Den Haag is sowieso een bijzondere stad voor automobilisten. Er is geen snelwegring. De A12 begint bij de Duitse grens en eindigt bij het Malieveld. Daar houdt het gewoon op. Met de trein is het overigens niet anders: Den Haag Centraal is een kopstation. Kennelijk moet je in Den Haag echt willen zijn, de wegen lopen er dood.

 

De Utrechtsebaan is een kind van het naoorlogse optimisme over de auto. De aanleg hangt samen met het vergissingsbombardement van de Engelsen op het Bezuidenhout in 1945 en de wederopbouwplannen die daarop volgden. Er was ruimte ontstaan, maar er werd ook nog flink gesloopt om de snelweg tot diep in de stad door te trekken. In 1976 werd de bijna twee kilometer lange tunnelbak geopend.

 

‍

Later werden er gebouwen overheen gebouwd. Stuk voor stuk geen architectonische meesterwerken, wat mij betreft, maar samen vormen ze een spectaculair stuk stad. Een onbedoeld architectonisch ensemble, dat je eigenlijk alleen vanuit een rijdende auto goed kunt ervaren.

 

Zoals in veel steden maakt de auto ook in Den Haag steeds meer plaats voor fietsers, voetgangers en groen. Terecht. Er zijn plannen om delen van de Utrechtsebaan te overkluizen, bijvoorbeeld met een park. Begrijpelijk: wie kijkt er niet liever naar groen dan naar asfalt? De wijken aan weerszijden worden weer met elkaar verbonden en de stad wordt er ongetwijfeld aangenamer van.

‍

Toch heb ik mijn twijfels. Want als je de tunnelbak dichtlegt, verdwijnt ook het spektakel van het binnenrijden. Je duikt straks een tunnel in en komt er bij het Malieveld weer uit. De enorme kantoorcomplexen en ministeries, die toch ook bij Den Haag horen, sla je simpelweg over. Boven de grond wordt het misschien mooier, maar onderweg raak je iets kwijt.

‍

 

Dit soort ruwe stukken autostad horen er wat mij betreft ook een beetje bij. Ze vertellen het verhaal van een tijd waarin de auto symbool stond voor vrijheid en vooruitgang. Een tijd waarin ingenieurs en architecten met een vanzelfsprekend optimisme snelwegen dwars door steden trokken en gebouwen eroverheen bouwden. Zoiets zouden we tegenwoordig, met alle regelgeving en participatietrajecten, waarschijnlijk nooit meer voor elkaar krijgen.

 

Misschien moeten we de Utrechtsebaan daarom niet alleen zien als een verkeerskundige barrière die zo snel mogelijk moet worden weggewerkt, maar ook als een bijzonder ruimtelijk ontwerp. We leren de gebouwen uit de jaren zestig en zeventig inmiddels opnieuw waarderen. Waarom zouden we de infrastructuur uit diezelfde tijd dan zonder meer willen wegstoppen? Is de Utrechtsebaan misschien gewoon een stuk Post 65-erfgoed waar we met onze vingers vanaf moeten blijven? Ik hoop stiekem dat het overkluizen voorlopig te duur blijkt. Ik zou dat grootstedelijke gevoel van thuiskomen missen. En ik heb dat schuifdak tenslotte niet voor niets.

‍

‍

‍

Alexander Pols is in 1973 geboren in Rotterdam. Na zijn studie aan de TU in Delft startte hij zijn loopbaan in Berlijn. In 2000 startte Alexander samen met de Berlijnse architect Hans Kollhoff een architectenbureau voor projecten in Nederland en België.

Meld je aan voor de nieuwsbrief